In mijn voorraad retrogames staan bakken met een label erop. Voor de PlayStation 3 alleen al staan er drie, tot de rand gevuld. De SNES en de Nintendo 64 delen er samen één, en wat daaruit verkoopt, krijg ik zelden opnieuw binnen.

Ik koop gebruikte gameverzamelingen in en verkoop ze stuk voor stuk door. Daardoor zie ik twee dingen die je als speler of verzamelaar niet ziet: ik zie wat mensen wegdoen, want dat komt bij mij binnen, en ik zie wat er daarna verkoopt. Lange tijd dacht ik dat ik daarmee het antwoord al kende. Cartridges gaan een leven lang mee en schijfjes zijn kwetsbaar, dus retro Nintendo-spul raakt op, terwijl PlayStation blijft liggen. Zo vertelt de scene het al jaren, en mijn bakken leken het wekelijks te bevestigen. Toen ging ik het narekenen, op mijn eigen catalogus. Welke systemen raken bij mij aantoonbaar op en waarom juist die? Het eerste antwoord dat sneuvelde was dat van mezelf.
Hoe meet je of iets van retrogames opraakt?
De meeste verhalen over retrogames draaien om prijzen. Een prijs vertelt vooral wat een verkoper durft te vragen, en ik weet hoe zacht dat getal is: ik ben zelf die verkoper. Ik houd iets anders bij. Welk deel van de spellen die ik ooit van een systeem in de catalogus had, is verkocht en daarna nooit meer aangevuld? Dat noem ik uitverkocht. Daar valt niets aan te schatten. Het staat er nog, of het is weg. Alle percentages in dit stuk komen uit één meting, uitgevoerd op één dag: 29 juli 2026.
Er hoort één spelregel bij retrogames en die leerde ik onderweg. Toen ik die meting nog zonder spelregel las, stonden de Nintendo 64 en de Game Boy bovenaan, precies zoals ik verwachtte, met de Game Boy Advance als vreemde uitzondering onderin. Tot ik besefte dat een spel dat pas een paar maanden in de catalogus staat, amper tijd heeft gehad om verkocht te raken. Wie daar niet voor corrigeert, meet vooral wanneer de winkelier toevallig heeft ingekocht. Dus telt een spel pas mee als het minstens een jaar in de catalogus staat. Met die spelregel erbij springt de Game Boy Advance van 19% uitverkocht naar 48. Zelfde dag, zelfde bestand, andere telregel. Dat systeem lag niet stil; het lag er pas net. Heel even leek mijn oude verhaal daarmee overeind te blijven.
Welke systemen raken echt op?
Alleen losse spellen tellen mee; consoles en toebehoren verkopen anders en horen niet in dezelfde telling. Het getal achter het percentage is de basis van de telling: de 100 % waar dat percentage bij hoort.
- Nintendo 64: 56% uitverkocht, 18 spellen in de telling
- Game Boy, inclusief Color: 51%, 41 spellen
- NES: 50%, 22 spellen
- PlayStation 1: 50%, 32 spellen
- GameCube: 49%, 39 spellen
- Game Boy Advance: 48%, 23 spellen
- SNES: 30%, 23 spellen
- Xbox 360: 29%, 7 spellen
- PlayStation 2: 28%, 18 spellen
- PlayStation 3: 10%, 90 spellen
Twee kanttekeningen. De Wii ontbreekt: geen enkel Wii-spel staat al een vol jaar in de catalogus, dus daarover valt niets te zeggen. En bij de Xbox 360, de Nintendo 64 en de PlayStation 2 zijn de aantallen zo klein dat één verkoop het percentage meteen enkele punten doet verschuiven, bij de Xbox 360 zelfs meer dan tien. Ik laat ze er toch in staan; weglaten vind ik erger dan een ruime marge. De zwaarste rijen, waar ik op leun, zijn de Game Boy en de PlayStation 3, met 41 en 90 spellen.
Precies die twee liggen een factor vijf uit elkaar: boven de helft verdwenen tegenover één op de tien. Ik had er drie verklaringen voor klaarliggen.

Gaan cartridges echt langer mee?
Mijn eigen verklaring, dus die mocht eerst. Een cartridge uit 1992 doet het volgende week ook nog; een bekrast schijfje koop je op goed geluk. Dus, zo redeneerde ik, verkopen de cartridges van retrogames door en raken ze op. De eerste rekensom leek het glansrijk te bevestigen: gooi alle systemen op twee hopen, en de cartridges staan samen op 47% uitverkocht, de schijfjes op 27%. Twintig punten verschil. Met zo’n cijfer schrijf je dit stuk in een middag.
Toen haalde ik één console uit de schijfjesgroep, de PlayStation 3. De rest van de schijfjes sprong naar 44%, vlak onder de 47 van de cartridges. Het hele verschil tussen cartridge en schijf hangt in mijn winkel aan één systeem. De PlayStation 1 staat op 50%, precies gelijk aan de NES, en de GameCube één punt daaronder. Allebei schijf, allebei midden tussen de cartridgesystemen. En de SNES, toch echt een cartridgesysteem, staat op 30. Het materiaal bepaalt in welke staat iets binnenkomt, niet of het weggaat.
Houdt Nintendo zijn waarde dan beter?
Dan het lievelingsverhaal van de retrowereld: Nintendo houdt zijn waarde, dus oud Nintendo verkoopt altijd. Mijn cijfers zijn er niet van onder de indruk. De SNES, het systeem waar dat verhaal zowat voor is uitgevonden, staat op 30%. De PlayStation 1, die net zo hoog staat als de NES, is geen Nintendo. Was het merk de motor, dan stond deze lijst in een andere volgorde. Tweede verklaring gesneuveld en weer lag dezelfde console dwars.
Zijn de oudste systemen er gewoon niet meer?
De derde verklaring is de tijd zelf. Hoe ouder een systeem, hoe meer jaren er zijn geweest waarin exemplaren kapot konden gaan of retrogames bij het grofvuil belandden. Ouder is schaarser, en schaars raakt op. Ook die strandt, en alweer op de SNES. Die kwam hier in 1992 uit en staat onderin. De Game Boy Advance is negen jaar jonger en staat bovenin.
Drie verklaringen, drie keer gestrand, en steeds duikt dezelfde console op.
Wat de inkoopbakken verklappen over retrogames
In die bakken waarmee ik begon zit wel een patroon, en daar hoef ik niets voor te rekenen. Wat binnenkomt, is PlayStation. In bijna elke verzameling retrogames die ik aangeboden krijg, zitten de PlayStation 2 en 3, vaak in veelvoud. Wat vrijwel nooit binnenkomt: de SNES en de Nintendo 64. Dat zegt volgens mij weinig over liefde en veel over oplage. De PlayStation 2 is de bestverkochte console aller tijden, en ook van de PlayStation 3 gingen er tientallen miljoenen over de toonbank. Een apparaat dat destijds in zowat elke woonkamer stond, komt nu ook weer uit al die woonkamers vrij.
Leg die stroom naast de cijfers, en drie van de vier systemen vallen op hun plaats. De PlayStation 2 en 3 stromen binnen en staan onderaan: wat makkelijk binnenkomt, vul ik moeiteloos aan, dus loopt de voorraad daar sneller vol dan leeg. De Nintendo 64 komt vrijwel nooit binnen en staat bovenaan: wat daarvan verkoopt, krijg ik niet terug. Opraken is bij mij dus vooral een kwestie van aanbod. Het eerste dat verdwijnt, is wat de inkoop niet meer aanvult.
En dan is er de SNES. Alweer. Die komt net zo zelden binnen als de Nintendo 64, en blijft toch staan op dertig procent. Zeldzaam in de aanvoer én traag in de verkoop. De console die het materiaalverhaal en het merkverhaal onderuithaalde, past ook niet in het aanbodverhaal. Ik heb er geen verklaring voor, en ik heb geleerd dat je er dan geen moet verzinnen.
Wat mensen houden, zie ik nooit. Op één verzameling na: die van mezelf. Bij mij thuis staan twee planken met spullen die nooit in de webshop komen.

Waar dit cijfer van retrogames ophoudt
Nog de bijsluiter erbij: dit is de boekhouding van één kleine webshop. Dat iets bij mij uitverkocht is, betekent niet dat het nergens meer bestaat, alleen dat ik het niet heb en niet binnenkrijg. Spellen die ik ooit definitief uit de catalogus haalde, tellen niet mee en de cijfers bewegen elke week. Ik gebruik zo’n telling als thermometer, niet als diagnose.
Wat er opraakt, en waarom
De vraag was welke systemen bij mij echt opraken, en waarom juist die. Het eerste deel kan ik meten. De bovenste zes liggen tussen 48 en 56%: Nintendo 64, Game Boy, NES, PlayStation 1, GameCube en Game Boy Advance. Cartridge en schijf staan daar gewoon door elkaar. Onderaan staan de PlayStation 2 en 3, de systemen die destijds overal stonden.
Voor het tweede deel had ik drie verklaringen, en geen ervan overleefde mijn eigen telling. Haal één console uit de schijfjesgroep en het verschil tussen cartridge en schijf verdampt. De SNES staat twintig punten onder de PlayStation 1, dus aan het merk ligt het ook niet. En het systeem uit 1992 staat onderin terwijl een negen jaar jonger systeem bovenin staat. Wat overeind blijft, is de oplage: wat nog elke week uit woonkamers vrijkomt, blijft bij mij staan. Behalve de SNES. Die komt niet binnen én blijft liggen, en geen van mijn verhalen had dat voorzien. Ik laat die regel staan zoals hij is, als herinnering aan waar ik mee begon: de zekerheid dat ik het wist.