Het DNA van een stripreeks 12: de bevindingen van Jeroen

0

Belgische stripklassiekers moderniseren. Na het overdonderende succes van Amoras, de rauwe spin-off van het oer-Vlaamse Suske en Wiske, duikt het ene na het andere afgeleide product van de geliefde stripreeksen uit onze jeugd op. Volgens Johan De Smedt, de Grote Manitoe van denktank “The Wolfpack” en een van de spilfiguren van deze trend, is het bij zo’n onderneming essentieel dat je nooit aan het DNA raakt. Maar wat is dat dan precies, “het DNA van een stripreeks”? Met die vraag op de lippen trok Jeroen doorheen stripminnend Vlaanderen, op zoek naar het antwoord.

Inderdaad, “trok”. Want na tien delen zit mijn zoektocht er op. In veertien interviews heb ik het genoegen gehad te mogen spreken met enkele van de interessantste mensen van de Belgische stripwereld, in mijn poging te doorgronden wat nu precies het DNA van een stripreeks is. Wie had gehoopt hier een sluitende definitie te lezen die rechtstreeks de Dikke Van Dale in kan, moet ik teleurstellen. Maar interessante inzichten en aanwijzingen? Die heb ik wel.

Vroeger was alles beter, meneer

Met al die reboots, spin-offs, … kortom, afgeleide reeksen van klassieke reeksen zou een mens nog gaan denken dat het vroeger allemaal beter was. En in bepaalde opzichten was het dat eigenlijk wel, toch zeker voor de Belgische stripsector. “De jeugd leest niet meer”, hoorde ik wel vaker. En hoewel afgeven op ‘de jeugd van tegenwoordig’ altijd al bon ton is geweest en dat wellicht altijd blijven zal, klopt het wel dat stripverhalen tegenwoordig tegen heel wat andere vormen van entertainment moeten opboksen en daarbij vaak het onderspit delven. Wil een strip gelezen worden, dan moet hij vechten om de aandacht van de consument te trekken.

voorpublicatie

Van voorpublicaties in de krant…

Vroeger was dat gemakkelijker. Via voorpublicaties in de kranten en tijdschriften, waarvan elk gezin er wel een (of soms meerdere) had, konden lezers de nieuwste avonturen van hun favoriete striphelden al eens op voorhand lezen en beoordelen. De strips waren niet zelden het meest gelezen stukje van de krant. De aankoop van een strip was geen sprong in het duister meer, je wist wat je kon verwachten. Dat is een luxe die nieuwe reeksen tegenwoordig veel minder te beurt valt. Door de digitale revolutie verliezen traditionele, gedrukte media zienderogen terrein. En worden er dus ook minder strips in de kranten gelezen. Piekfijn uitgekiende promotiecampagnes worden steeds belangrijker en zullen zeker en vast hun steentje bijgedragen hebben aan het succes van Amoras en (vermoedelijk) Red Rider.

red fest

… tot release events met optredens en een food truck.

Al die afgeleide reeksen zijn dus niet ontsprongen vanuit het postmoderne idee dat “alles al wel eens gezegd is”, dat er geen nieuwe verhalen meer kunnen ontstaan en dat men slechts de oude kan herkauwen. Nieuwe reeksen hebben het steeds moeilijker om de harten van de lezers te veroveren, terwijl oude reeksen en herwerkingen daarvan financiële zekerheden bieden.

Commercie is geen lelijk woord

En daarmee zijn we bij de olifant in de kamer aanbeland: de centen. Bij de vraag waarom uitgeverijen er nu voor kozen om afgeleide reeksen te maken van geliefde klassiekers, was het antwoord vaak “om de centen natuurlijk”. De bijklank van dat antwoord is uitgesproken negatief en impliceert dat de uitgeverijen vooral misbruik maken van onze nostalgie om het geld uit onze zakken te kloppen. Maar dat beeld dient genuanceerd te worden.

Ja, het financiële aspect is extreem belangrijk en de uitgeverijen willen inderdaad onze centen. Maar vergeet niet dat een uitgeverij in de eerste plaats een draaiende zaak moet zijn. Er moeten lonen uitbetaald worden, niet in het minst aan de scenaristen en tekenaars die de strips die we zo graag lezen, maken. Ik werk niet als er niets tegenover staat, en zij moeten dat ook niet doen. Zonder centen ook geen nieuwe strips. Natuurlijk zou in een ideale wereld de ene na de andere nieuwe klassieker op ons losgelaten worden, maar we weten allemaal dat dat niet gaat gebeuren. Nieuwe reeksen brengen risico’s met zich mee en hoewel die bij tijd en wijle ook wel genomen worden, is het logisch en financieel verstandig reeksen uit te brengen waarvan je weet dat de consument ze sowieso zal kopen, zoals afgeleide reeksen van oude klassiekers. Wij beheren ons vermogen als een goede huisvader, er is niets mis mee dat een uitgeverij dat ook doet.

Lef en liefde

Is dat een vrijgeleide om ons te bestoken met ongeïnspireerde rommel? Geenszins. In zijn interview zei Geert De Weyer het treffend: je moet een commercieel idee ook creatief en artistiek invullen. Lef en liefde zijn volgens hem de sleutel.

Zonder stripmakers die een zekere affiniteit met en liefde voor de reeks hebben die ze bewerken, begin je er beter niet aan. Die liefde van artiesten die aan de slag mogen gaan met hun jeugdhelden, vertaalt zich vaak als vanzelf in respect voor de bronreeks. En dat voel je.

robbedoes auteurs

Voor Legendre en Cambré was zelf een Robbedoes maken een jeugddroom die uitkwam.

Maar ook lef is belangrijk. Niet elke afgeleide reeks zal een succes zijn, maar niet proberen is evenmin een optie. Uitgeverijen hebben met de klassieke stripreeksen een ware schat in handen, maar daar moet wat mee gebeuren. Net zoals een talent dat je in de grond begraaft niets opbrengt, zal een stripreeks waar je niets mee doet en die je maar laat voortkabbelen, uiteindelijk achterhaald worden en afsterven. Een van de mooiste zinnen van de hele DNA-reeks kwam uit de mond van Wouter Porteman:

“Maar als er niemand meer over je reeks praat, is die dood. Laat ons a.u.b. onze striphelden niet in plastiek zakjes ter conservering steken. Strips moeten gelezen worden. En striphelden moeten blijven leven.”

En of die pogingen een succes zijn? Daar hebben wij zeer zeker inspraak in. Fabio Bono zei dat het publiek wel zal oordelen of deze of gene afgeleide reeks de juiste keuze was, en dat klopt. Vind je een bepaalde afgeleide reeks niet goed? Stem dan met je portefeuille en ga gerust iets anders lezen. Er is meer dan genoeg op de markt. Bovendien geef je de uitgevers een sterk signaal over wat werkt en wat niet, waar ook zij conclusies uit kunnen trekken. Van J.Rom hebben we wellicht wel het laatste album gezien.

De worsteling der stripspeciaalzaken

Al moeten we daar toch een kanttekening bij maken. Ondanks het afkeurend geluid dat we overal horen over Fanny K., heeft dat album toch wekenlang de top tien gedomineerd. Als stripliefhebber moeten we beseffen dat wij niet het enige doelpubliek zijn van deze strips. De impact van toegankelijke, laagdrempelige strips die zonder veel problemen in een supermarkt verkocht kunnen worden, mag niet onderschat worden. Het is een gegeven dat gespecialiseerde stripspeciaalzaken in nauwe schoentjes brengt, maar dat is een discussie voor een andere keer.

Een trend, maar geen nieuwe

Omdat er tegenwoordig veel afgeleide reeksen verschijnen, lijkt het haast een nieuwe trend. Een trend? Ja. Een nieuwe? Niet zo. Spin-offs zijn niets nieuws. Of zijn we De Kleine Robbe, Langteen en Schommelbuik, Gastoon of Jerom al vergeten? Waarmee meteen bewezen is dat ook de geestelijke vaders niet per se afkerig zouden zijn van afgeleide reeksen. Er wordt al wel eens gezwaaid met het testament van deze of gene stripmaker, maar als puntje bij paaltje komt, zijn het toch de erfgenamen die bepalen wat kan en niet. Het houdt meer steek om te luisteren naar Helena Vandersteen wanneer die zegt “Mijn vader zou hier niets op tegen gehad hebben” dan vast te houden aan een stukje papier dat evenzeer de spiegel is van een bepaald moment in het leven van een auteur als de strips die hij maakte.

Ons aller Nonkel Frans

Maar bon, genoeg gezeverd. Het DNA van een stripreeks, wat is dat nu? Helaas, een sluitend antwoord kan ik daar nog steeds niet op geven. We kunnen min of meer concluderen dat het een gevoelskwestie is: instinctief weet je wat het DNA van de reeks is, wat die reeks maakt tot wat ze is, zonder dat je per se in staat bent het onder woorden te brengen. Het is herkenbaarheid, van de manier waarop de personages met elkaar omgaan tot de waarden die in de reeks vervat zitten. De vergelijking die Marc Legendre maakte, is in dat opzicht treffend:

“Jij weet wat van jouw nonkel Frans nonkel Frans maakt, dat moet niemand je uitleggen. En als iemand het zou proberen, zou je waarschijnlijk zeggen: “Dat is niet typisch aan onze nonkel.”

Tijdens mijn zoektocht heb ik vaak aan mijn studiejaren moeten denken, en in het bijzonder aan de prototypiciteitstheorie waar Professor Dirk Geeraerts, die Algemene Taalwetenschap doceerde, zo aan verknocht was. Instinctief weten wij op basis van een set van kenmerken wel wat bijvoorbeeld een vogel is. Legt eieren, vliegt, loopt op twee poten, … Maar niet al deze eigenschappen moeten per se gelijktijdig aanwezig zijn, noch zijn ze exclusief voorbehouden aan vogels. Een mus, da’s een prototypische vogel. Maar hoe zit het met randgevallen? Daar wordt de grens vaag. Een struisvogel legt eieren, maar vliegt niet. Een vleermuis vliegt, maar legt geen eieren. Toch is de ene een vogel en de andere niet.

schanulleke

Zelfs zonder Schanulleke is Wiske nog steeds Wiske in Amoras.

Zo ook met strips. Een bepaalde reeks kan een bepaalde set van kenmerken en eigenschappen hebben. Een album waarbij je al deze eigenschappen kan afvinken, is een typisch avontuur voor die reeks. Je kan met die eigenschappen spelen en variëren tot op zekere hoogte. Haar popje Schanulleke is een typisch kenmerk van Wiske, maar niemand valt over het feit dat ze die lappenpop niet continu bij zich heeft in Amoras, nochtans een afgeleide reeks die gemaakt is met het nodige respect voor de bronreeks. Maar op een gegeven moment wijk je te ver af, en merken de lezers dat wat ze in handen hebben eigenlijk niet meer ‘klopt’. Een Fanny Kiekeboe die het slachtoffer wordt van huiselijk geweld en zich laat doen? Dat is eigenlijk niet de echte Fanny meer.

Verandering is een constante

Wat ik ook vastgesteld heb, is dat de term “DNA” niet geheel en al onbetwistbaar is. Het impliceert een zekere onveranderlijkheid, terwijl de essentie van een bepaalde stripreeks aan verandering onderhevig is. Stripreeksen zijn ook steeds een spiegel van de tijd waarin ze gemaakt zijn en het is niet meer dan normaal dat ook zij evolueren. Zoals gezegd is dat zelfs essentieel voor hun voortbestaan. Bovendien kan de setting of de cast veranderen of kunnen personages ingrijpende veranderingen ondergaan. De Suske en Wiske van Vandersteen is niet dezelfde als die van Paul Geerts of Marc Verhaegen, maar niemand zal zeggen dat de verhalen van die laatste twee geen echte Suske en Wiskes zijn. De Robbedoes van Rob-Vel is niet die van Franquin of Fournier. Of denk aan De Rode Ridder, die zelfs van medium veranderd is. Oorspronkelijk waren diens avonturen het onderwerp van de jeugdboeken van Leopold Vermeiren, voor hij een stripheld werd. Van een oer-Vlaamse ridder evolueerde hij in de handen van Vandersteen naar een tafelridder van Koning Arthur. Onder de regie van Karel Biddeloo ging hij opnieuw zwerven en evolueerden zijn avonturen meer naar horror en scifi, waarna de ridder voor een tijdje neerstreek in het Vlaamse Horst, waar hij plots weer met een vaste cast interageerde.

rode ridder evolutie

Ook middeleeuwse stripridders gaan met hun tijd mee, en dat is de normaalste zaak van de wereld.

DNA bevat de bouwstenen van het leven, en net als alle levende wezens veranderen en evolueren stripreeksen. De vraag naar hét DNA is in essentie zinloos, omdat je steeds zou moeten verduidelijken wélk DNA je precies bedoelt. Het staat niet in steen gebeiteld. En dat is maar goed ook, want te veel respect voor een vermeend DNA kan resulteren in het verzanden in vaste formules. Na al die jaren staat het DNA van bijvoorbeeld F.C. De Kampioenen weliswaar op punt, maar als je één aflevering hebt gezien, heb je ze eigenlijk allemaal wel gezien. God verhoede dat onze geliefde stripreeksen een dergelijk lot is beschoren.

Wie niet waagt…

Laat ze dus maar komen, die afgeleide reeksen, want ze actualiseren onze geliefde striphelden en houden ze levend. Soms levert dat diamanten op, soms steenkool. Zonder zulke pogingen hadden we noch Amoras, noch J.Rom gehad, maar dan leef ik liever in een wereld waar ik van het goede kan genieten en het minder goede gewoon links kan laten liggen als het me niet bevalt. Het is belangrijk om het kind niet met het badwater weg te gooien. Heb dus geduld, beste lezers, en mopper niet te snel.

Maar stripmakers en uitgevers, laat een welwillende lezer je niet verleiden tot luiheid en plat winstbejag. We verwachten wél nog steeds kwaliteit. Kwaliteit komt altijd bovendrijven en daar is iedereen bij gebaat. Wees creatief. Kan je goede verhalen vertellen met klassieke personages? Ga je gang. Maar laat dat je eigen creativiteit niet beknotten. Durf ook nieuwe dingen te maken, zodat jonge lezertjes met jouw reeks kunnen opgroeien zoals wij dat destijds deden met Suske en Wiske, Jommeke of De Rode Ridder.


Wil je de interviews in deze reeks nog eens rustig herlezen? Dat kan via onderstaande links:

 

 

 

Share.

About Author

Jeroen Van Heel

Cardboard cowboy, Nintendo nerd en Dr. Deathrite himself. Show your moves!

Reacties